Wat is probleemgedrag en wat zijn leerprincipes

 


Probleemgedrag van een paard is het gedrag dat voor de eigenaar, verzorger of stalhouder ongewenst is. Dat wil dus niet zeggen dat het gedrag voor het paard een probleem is. Integendeel, hij blijft een bepaald gedrag vertonen omdat het hem iets oplevert. Dit kan zijn voer, aandacht, onder het werk uitkomen of in de wei blijven staan bij zijn soortgenoten.

 

Ongewenst gedrag is niet hetzelfde als abnormaal gedrag. Abnormaal gedrag komt niet voor in het normale gedragspatroon van het paard. Als voorbeeld hiervan kunt u denken aan kribbebijten.


Kopschuwheid, singeldwang, agressie naar mensen of andere paarden, angst, verzet, onhandelbaarheid, niet op de trailer willen zijn  voorbeelden van probleemgedrag bij paarden. Gedrag dat wellicht in een ver verleden al ontstaan is maar dat u uw paard of pony niet afgeleerd krijgt.

 

Wanneer je het gedrag van een paard wilt veranderen is het van belang dat je weet hoe een paard leert.

Er zijn 2 manieren van leren:

  1. Klassieke conditionering
  2. Operante conditionering

Bij klassieke conditionering leert het paard een associatie te leggen tussen een prikkel die veel betekenis heeft (zoals voer) en een prikkel die geen betekenis heeft (zoals een ton). Wanneer hij nu het rammelen van de voerton hoort weet hij dat er eten komt. De situatie is voor hem voorspelbaar. (Het Pavlov effect)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bij operante conditionering leert het paard een associatie te leggen tussen zijn gedrag en wat de directe gevolgen zijn van dit gedrag. Hij kan bijvoorbeeld een beloning verdienen door vlot op de trailer te stappen. Hij kan de situatie zelf beïnvloeden.

 

Operante conditionering wordt onderverdeeld in:

  • Positieve bekrachtiging
  • Negatieve bekrachting
  • Positieve correctie
  • Negatieve correctie

Bekrachtigen is het toenemen van gedrag. Als een paard ontdekt dat het slaan tegen de staldeur aandacht oplevert en hij die aandacht die hij dan krijgt ook prettig vindt, zal hij vaker tegen de deur aanschoppen. De gevolgen van zijn gedrag zijn voor hem aangenaam. Deze vorm van operante conditionering noem je positieve bekrachtiging.

 

Als we tijdens het rijden druk geven met het been voelt dat voor het paard onaangenaam. Door de druk weg te nemen als het paard zijn tempo verhoogt, leert het paard dat door het verhogen van zijn tempo iets onaangenaams weggaat nl. de druk van het been. Deze vorm van operante conditionering noem je negatieve bekrachtiging.

 

Corrigeren is het stoppen van gedrag. Gedrag dat een paard iets onaangenaams oplevert zal hij in de toekomst niet meer vertonen. Als een paard bijvoorbeeld aan een poes snuffelt en meteen een flinke haal krijgt, zal in de toekomst niet meer aan poezen snuffelen. Deze vorm van operante conditionering noem je positieve correctie.

 

Een paard dat we uit de wei halen en vervolgens alleen binnen in zijn stal zetten leert, dat het komen als hij geroepen wordt hem iets onaangenaams oplevert. Dit paard zal in het vervolg niet meer komen als hij geroepen wordt. Deze vorm van operante conditionering noem je negatieve correctie.

 

Stress wordt veroorzaakt wanneer het paard zijn omgeving niet meer kan voorspellen en/of beïnvloeden.

 

Door een gedragstherapie krijgt u inzicht in het ontstaan en de behandeling van ongewenst of afwijkend gedrag.